Boekverslag

Geplaatst: 7 januari 2011 in onderwijs

Over vorm en inhoud

Een prachtig boekverslag, dat van Erik. Het eerste was geen succes geweest en dat zou hem natuurlijk niet nog een keer gebeuren. Tien keurig vol getikte velletjes, in strakke tweekoloms opmaak en verluchtigd met een keur aan werkelijk schitterende illustraties lachten me vrolijk toe. De volijverige brugklasser had z’n stinkende best gedaan zijn lezerspubliek er van te overtuigen dat Anke de Vries er echt wel in was geslaagd de jeugdliteratuur te verrijken met een ultieme, vette roman over kindermishandeling.
‘Blauwe plekken’, ronkte de omslag in bloedrode kapitalen. En dat allemaal verpakt in zo’n uiterst handzaam Leitz snelhechtmapje, hét vehikel bij uitstek voor de in massaproductie aangeleverde zielenroerselen van de middelbare schoolleerling. Even later lag het temidden van nog vierentwintig andere verslagen in volle glorie te pronken op het bureau van de overgelukkige docent. Die op zijn beurt dan ook meteen maar ‘s, ter verhoging van de feestvreugde, uitgebreid z’n tevredenheid uitsprak over de stoffelijke bewijzen van tomeloze inzet van B1K. Hij mocht toch hopen dat de ontbrekende vijf, ondanks dat het toch écht de uiterste inleverdatum was, weldra zouden volgen.

De carrière van Erik strekte zich inmiddels uit over zo’n vijf maanden. Vijf zware maanden. Een periode waarin hij er bij geen enkel vak in was geslaagd het havo-advies op z’n inschrijfformulier ook maar enigszins waar te maken. Heel sneu, vooral voor Erik want waar dat dan ook aan mocht liggen, in ieder geval niet aan z’n inzet. Met torenhoge verwachtingen was ie aan het begin van het jaar welgemoed de dakpanklas in geschoven. Hoewel de Cito-score niet om over naar huis te schrijven was geweest, hadden ouders en basisschoolleerkracht er met vereende krachten toch nog iets als een havo-advies uitgepeurd. En voor je het weet is dat voor een zielsgelukkige schoolleiding die toch al te kampen heeft met een schromelijk gebrek aan potentiële toppertjes, reden om het met hem maar ’s in de hv-brugklas te proberen.
De contouren van een waar drama tekenden zich weldra af maar op voorspraak van een paar redelijk onervaren en van iedere werkelijkheidszin gespeende collega’s die nog de nodige lichtpuntjes meenden te zien, was overplaatsing naar een wat vriendelijker omgeving vooralsnog absoluut geen issue.
En intussen moest je bij vrijwel ieder overhorinkje dat teruggegeven werd, je volledige arsenaal aan didactische en pedagogische vaardigheden van stal halen om het blaadje van Erik te laten landen zonder de kinderziel voor eeuwig te beschadigen.
En hij wilde zo vreselijk graag.
Als z’n les Nederlands op het laatste uur viel, treuzelde hij zich listig naar wat extra hulp. En in het verlaten klaslokaal kon je hem geen groter plezier doen dan zo’n blaadje, dat vergeven was van de genadeloze rode strepen en opmerkingen, nog ’s helemaal met hem door te nemen. Het mocht allemaal niet baten. En een eigenhandig vervaardigd, geheel op zijn problemen toegesneden computerprogrammaatje bracht ook weinig soelaas. Het werkte niet, net zo min als alle commerciële software die het thuisfront, dat de bui kennelijk al ruimschoots had zien hangen, à raison van een fikse stapel euro’s voor zoonlief had aangesleept.

En nu dus dat boekverslag.
Eindelijk m’n kans op dat lichtpuntje. Eindelijk m’n kans, als brenger van het goede nieuws. Wat zonder meer zou leiden tot de hartstochtelijk verbeide rehabilitatie van een knaapje bij wie de laatste tijd toch iets van een grauwsluier over het aanvankelijk ongebreidelde enthousiasme getrokken was.
Zo op het oog niks mis met dat verslag. Indeling helemaal volgens de summiere voorschriften: samenvatting, bespreking van de belangrijkste personages, welgeteld anderhalve bladzijde waarin het centrale probleem besproken werd en tot slot een eigen mening waarvoor hij zowaar ook een hele bladzijde uitgetrokken had. Zodra ik me echter comfortabel geïnstalleerd had voor het échte lezen, begon het bij m’n haarwortels ongenadig te prikken. Was dit mijn lieve Erik die normaliter bij een simpele schrijfopdracht geen twee fatsoenlijke zinnen Nederlands achter elkaar wist te produceren? De ene na de andere fraaie volzin walmde me tegemoet. Een taalgebruik waar zelfs menige collega een punt aan kon zuigen (ik krijg wel eens een kattenbelletje van hen onder ogen waarin ouders op de hoogte gebracht worden van hun hooggewaardeerde buitenschoolse activiteiten en echt vrolijk wil ik van dat proza niet worden). En dat alles in die meer dan onberispelijke spelling waar de Nederlandse Taalunie volledig van aan z’n gerief zou komen. Van A tot Z gejat dus en een snelle sprint naar m’n archief leverde prompt de bevestiging.
Ik had dus een probleem. En niet zo’n kleintje ook. Vijf maanden bittere onrechtvaardigheid trokken aan me voorbij. Maar dit kon natuurlijk niet. Even laten rusten, maar.

Laat ik er meteen bijzeggen dat de René Diekstra-achtige toewijding van Erik’s klasgenootjes er ook mocht zijn maar over het algemeen bleef dat binnen de perken. En, laten we eerlijk zijn: we zijn zelf ook jong geweest en dus is niets menselijks ons vreemd.
Als docent maak je deel uit van een vakgroep. Mensen met wie je gezamenlijke afspraken maakt over de uit te voeren plannetjes. Het maken van verslagen is onlosmakelijk verbonden met modern onderwijs (de snelhechtercultus) en staat dus hoog op het prioriteitenlijstje. Drie keer per jaar een boekverslag is al gauw 3×30= 90 verslagen. Een beetje docent heeft een stuk of acht klassen. Dus tel uit je winst.
Maar binnen het superbe Nieuwe Leren wint het idee terrein dat je de leerlingen ook elkaar kunt laten beoordelen. Dat kinderen elkaars werkstukken lezen en bespreken, prima. Uiterst zinnig. Mij heb je. Maar waar blijft, als het op beoordelen aankomt, de hooggeroemde objectiviteit? Hoe leg je überhaupt beoordelingscriteria aan als we het hebben over voor de donder niet onbelangrijke zaken als taalgebruik, spelling, originaliteit en, in dit geval, authenticiteit?
Bij een jonge collega die de onderwijsvernieuwing hoog in haar vaandel voerde en de stellige indruk wekte deze aanpak tot in de perfectie te beheersen, sterker nog, met een licht dédain kon spreken over docenten die weigerden de geloofsbelijdenis van dat Nieuwe Leren volmondig te onderschrijven, dropte ik een dag later drie van die ‘gaat wel’-verslagen én het epistel van mijn Erik. Of ze haar superieure oordeel ’s wilde geven.
Een paar uur later kreeg ik ze retour met het diep in m’n hart wel verwachte: ‘Goed werk’, ‘Ziet er mooi uit’. Geen woord over zoiets als inhoud en taalgebruik. Geen flauw idee dat het om een van het eerste tot het laatste woord volledig gejat werkstuk ging? Dat bood ongekende kansen voor mijn Erik want waar maakte ik me in mijn oneindige wijsheid nou eigenlijk druk over?
Het werden dus vooral cijfers voor inzet. Erik kreeg een prachtige 7 met wel helemaal onderaan het bescheiden vraagje: Helemaal zelf gemaakt?

Bij het teruggeven van de boekverslagen roemde ik uitgebreid de inzet van mijn discipelen met in het algemeen de opmerking dat ik het wel jammer vond dat het hier en daar niet allemaal eigen werk was. En dat ik dat er ook bij deze en gene als opmerking bijgezet had.
Wie de schoen past….

’s Avonds: telefoon. De vader van Erik. Of ie de meester Nederlands van z’n Erik aan de lijn had.
Wis en waarachtig. Je voelde dat er aan de andere kant van de lijn een flinke aanloop genomen werd waarna de beer aan alle kanten los ging. Dat ik toch god hier en gunder niet moest denken dat ik alles kon maken. ‘Hij hep vier weken op dat verslag gezeten. Elke avond ging ie uit ze eige naar boven. Ik hoefde d’r niks aan te doen. Ik hep ’t bij me eige op de zaak nog helemaal uitgeprint (zou ie nog meer gedaan hebben?). Wil u wel effe weten wat dat betekent? Het ziet er toch fantastisch uit. En dan krijgt ie d’r maar een zeven voor. Dan blijft ie op ze Nederlands straks zitte. Dan moet ie naar de vmbo. En het ergste: Wat is dat nou godverdomme voor een opmerking aan het eind: Helemaal zelf gemaakt? Wat denkt u eigenlijk wel? Nou?’
Uiterst beheerst probeerde ik hem mijn twijfel die ik op het punt van de authenticiteit had, over te brengen maar het was een gevecht tegen de bierkaai, want weer spatte hij van pure verontwaardiging zo ongeveer uit elkaar. Van een adempauze maakte ik gebruik om hem te vragen of hij het betreffende werkstukje voor zich had.
Of ie dan een momentje had? Ik rukte mijn bewijsstuk uit de kast legde het op tafel en met een plechtstatige dictie las ik: Uit het boek ‘Over lezen’ van Ruud Kraayeveld, bladzij 153: Anke de Vries: Blauwe plekken. Over de schrijfster………..’
Tuut Tuut Tuut.

Ach weet je, het gaat al lang niet meer over de inhoud maar over de vorm 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s